home > taal > lezen
home > Scandinavië

 

Gudbrand van den Berg

een volkssprookje uit Noorwegen


Er was eens een oude man die Gudbrand heette. Hij woonde in een boerderijtje dat op een berghelling stond en daarom werd hij Gudbrand van den Berg genoemd. Hij en zijn vrouw waren erg gelukkig samen. Ze hadden nooit ruzie en waren het altijd met elkaar eens. Wat Gudbrand ook deed, zijn vrouw was er altijd even blij mee!
   Gudbrand had twee koeien. Op een dag stelde zijn vrouw voor om een van de twee te verkopen, want Gudbrand en zij konden wel wat geld gebruiken. En, zei zijn vrouw, dan hoefden ze voortaan ook nog maar één koe te melken.
   Dat vond Gudbrand nog eens een goed idee! Hij haalde een koe van stal en ging op weg naar de stad. Het was een heel eind lopen. Maar toen hij op de veemarkt was aangekomen, bleek dat niemand zijn koe wilde hebben. Nou, dacht Gudbrand, dan neem ik de koe gewoon weer mee terug. En hij ging weer huiswaarts.


Na een eind gelopen te hebben …

kwam hij een man tegen met een paard. Gudbrand vond dat je eigenlijk meer aan een paard had dan aan een koe en ruilde daarom zijn koe voor het paard.
Na weer een eind gelopen te hebben …
zag hij iemand die een vet varken voor zich uit dreef. Gudbrand vond dat je meer had aan een varken dan aan een paard, en daarom ruilde hij zijn paard voor het varken.
Na weer een eind gelopen te hebben …
kwam hij een geitenhoedster tegen. Gudbrand vond een geit nuttiger dan een varken en ruilde zijn varken voor de geit. Tevreden fluitend ging hij weer op weg.
Na weer een eind gelopen te hebben …
kwam hij een man met een schaap tegen. Hij ruilde zijn geit voor het schaap, want hij vond dat je nu eenmaal beter af was met een schaap dan met een geit.
Na weer een eind gelopen te hebben …
zag hij een man die een gans bij zich had, en hij ruilde zijn schaap voor de gans.
Na weer een eind gelopen te hebben …
kwam Gudbrand een man tegen die een mand bij zich droeg, en in die mand zat een haan. Gudbrand ruilde zijn gans voor de haan, want hij vond dat je meer had aan een haan dan aan een gans.


Daarna liep Gudbrand door tot ver in de middag en hij honger begon te krijgen. Hij verkocht zijn haan voor twaalf kronen en van dit geld kocht hij in de herberg een lekkere maaltijd. Want, zo vond Gudbrand, wat heb je aan een haan als je sterft van de honger!

Na het eten liep hij door tot hij bij de boerderij van zijn buurman was aangekomen. Dat was een grote herenboerderij. Gudbrand ging er naar binnen.
   ‘Hoe ging het in de stad?’ vroeg de buurman, die aan tafel een pijpje zat te roken.
   ‘Tja, wat zal ik zeggen,’ antwoordde Gudbrand voorzichtig. ‘Veel geluk heb ik niet gehad, maar slecht ging het nou ook weer niet.’ En daarop deed hij zijn verhaal. Zijn buurman luisterde met stijgende verbazing.
   Toen Gudbrand was uitgesproken, zei de buurman: ‘Dus je bent met een koe naar de stad gegaan en komt nu met lege handen thuis?! Nou, je vrouw zal wel boos op je zijn. Ik ben blij dat ik niet in jouw schoenen sta!’
   ‘Ik vind anders dat ik het zo slecht nog niet gedaan heb,’ vond Gudbrand zelf. ‘Maar eigenlijk maakt het ook niet uit wat ik doe, want mijn vrouw neemt me toch nooit iets kwalijk!’
   ‘Dat moet ik nog maar zien,’ zei de buurman ongelovig.
   ‘Zullen we erom wedden?’ stelde Gudbrand voor. ‘Ik heb thuis honderd daalders aan spaargeld. Als mijn vrouw boos op me wordt, dan zijn ze van jou. Maar wordt ze niet boos, dan geef je mij honderd daalders.’


Dat was afgesproken.

Ze dronken een kop koffie. En toen het donker begon te worden, wandelden ze naar Gudbrands boerderijtje. Gudbrand ging naar binnen, terwijl zijn buurman buiten bij de deur bleef staan luisteren, om te horen wat Gudbrands vrouw te zeggen had.

   ‘Goedenavond!’ zei Gudbrand, toen hij de deur open deed.
   ‘Goedenavond!’ zei zijn vrouw verrast. ‘Ben je nu al terug?’ Natuurlijk wilde ze direct weten hoe het haar man vergaan was.
   ‘Tja, het had beter gekund,’ zei Gudbrand maar meteen, ‘het was nou niet bepaald om over naar huis te schrijven.’

En Gudbrand begon te vertellen:

   ‘Toen ik in de stad was aangekomen, was er niemand die mijn koe wilde kopen. Toen heb ik haar voor een paard geruild.’
   ‘Dat is een goede ruil,’ vond zijn vrouw. ‘Voortaan hoeven we niet meer lopend naar de kerk, maar kunnen we met paard-en-wagen. – Laat dat paard maar eens zien!’
   ‘Ja maar,’ zei Gudbrand, ‘dat paard heb ik niet meer, want nadat ik een stuk gelopen had, heb ik het geruild voor een varken.’
   ‘Toe maar!’ riep zijn vrouw. ‘Ik had precies hetzelfde gedaan! Wat moeten we ook met een paard? De mensen zouden maar hebben gedacht dat we te lui waren om te lopen! Van ons varken kunnen we spek maken en daarvan kan ik lekkere spekpannenkoeken bakken! – Laat dat varken maar eens zien, schatje!’
   ‘Dat kan niet, want ook het varken heb ik niet meer: ik heb het geruild voor een geit.’
   ‘Wat pak jij de dingen toch slim aan!’ riep zijn vrouw vol bewondering. ‘Wat had ik ook met een varken gemoeten! De mensen zouden zeggen dat wij hier onze dieren maar opaten! Maar nu ik een geit heb, hebben we geitenmelk en geitenkaas, zonder dat ik het dier hoef te slachten! – Laat die geit maar eens zien, lieverd!’
   ‘Dat zal niet gaan,’ zei Gudbrand, ‘want ik heb haar geruild voor een schaap.’
   ‘Nee maar!’ riep zijn vrouw verrukt, ‘je hebt precies gedaan wat ik wilde. Wat moet een mens ook met een geit? Zo?n geit scharrelt maar overal rond. Ik had steeds de bergen in gemoeten om haar te zoeken. Een schaap geeft wol, en van wol kan ik warme truien breien en mooie kleden maken. – Laat dat schaap maar eens zien, lieverd!’
   ‘Het schaap heb ik niet meer,’ zei Gudbrand, ‘want nadat ik weer een poos gelopen had, heb ik het geruild voor een gans.’
   ‘Mijn dank is groot, mijn lieve Gudbrand! Wat had ik ook met een schaap gemoeten? Ik heb geeneens een spinnewiel! We kopen onze kleren wel in de stad, dat doen we altijd al. Nu eten we zondag ganzenvlees en kan ik mijn kussentje vullen met heerlijk zacht dons. – Laat die gans maar eens zien, lieverd!’
   ‘Maar de gans heb ik ook niet meer,’ zei Gudbrand, ‘want toen ik weer een eind op weg was, heb ik haar geruild voor een haan.’
   ‘Prachtig!’ riep zijn vrouw uit. ‘Ik had precies hetzelfde gedaan. Wat moeten we ook met een gans? Ik weet niet eens hoe je die moet braden en mijn kussentje vul ik wel met gedroogd gras. Ik ben blij dat we nu een haan hebben. Voortaan worden we iedere morgen op tijd gewekt. – Laat die haan maar eens zien, lieverd!’
   ‘De haan heb ik ook al niet meer,’ zei Gudbrand, ‘want toen ik nog een eind gelopen had, heb ik de haan verkocht en van het geld heb ik warm gegeten in de herberg. Want ik had een honger als een paard.’
   ‘Godzijdank,’ riep zijn vrouw blij, ‘wat je ook doet, je doet alles precies zoals ik het mij kan wensen. Wat moeten we ook met een haan? Oude mensjes als wij hoeven immers niet vroeg op te staan! En nu jij, mijn slimme Gudbrand, weer thuis bent, heb ik helemaal geen haan, gans of varken nodig. Een ook geen twee koeien!’
En ze gaf haar man een dikke pakkerd.

Toen deed Gudbrand de deur open. Daar stond zijn buurman, die het hele verhaal gehoord had. ‘En buurman,’ wilde Gudbrand weten, ‘heb ik onze weddenschap nou gewonnen of niet?’ Daar kon de buurman natuurlijk alleen maar ja op zeggen!


Oorspronkelijke titel: Gudbrand i Lia.
Vertaald en bewerkt door Frode Nagel.



Naar het sprookje over Kleine Peer (pdf-bestand).
Naar het keuzemenu Taal.
Naar het HOME van de Surfspin.


Geplaatst op 5 juni 2006, gewijzigd op 11 mei 2011.

© Surfspin 2006-2011