home > taal > lezen


Logeren in een Samisch rendierkamp




Hieronder staat een stukje uit het kinderboek De kinderen van de grote fjeld. Het boek speelt zich af in 1860. Het is voor een deel echt gebeurd. Het gaat over de tocht van zeven broertjes en zusjes. Hun vader en moeder zijn gestorven. Omdat ze niet naar het armenhuis willen, besluiten de kinderen om vanuit hun dorpje in Noord-Zweden naar het zuiden te lopen. Ze nemen de geit Goudsik met hen mee. Het is winter. Onderweg moeten ze steeds aankloppen voor voedsel en voor onderdak. Het groepje wordt steeds kleiner, omdat er soms een kind door een gastgezin geadopteerd wordt. Bij het volgende fragment zijn alleen Magnus, Malena en Ante nog over. Ze ontmoeten Mattes, de leider van een groep Rendiersamen uit hun geboortestreek. De drie uitgeputte kinderen worden opgevangen in zijn rendierkamp. Ruim een week blijven de kinderen er. Zelf zijn ze geen Samen, dus je zult zien dat er een wereld voor hen open gaat.

De Samen waren bezig hun tentenkamp op te slaan, niet ver van het grote dorp dat de kinderen van de overkant van de rivier hadden zien liggen. Het kostte de Samen en hun honden veel moeite om de soms erg koppige rendieren binnen de omheining te drijven. Mattes skiede er snel vandoor om zijn mannen te helpen. Magnus, Malena en Ante liepen als slaapwandelaars verder. Ze sleepten zich voort. Toen ze eindelijk voor de Samentent stonden en de kleine Mattes hen tegemoet kwam, poedelnaakt waggelend door de papperige sneeuw, waren ze bijna te moe om te lachen. Mattes werd vastgepakt door zijn zusje Sigri, die hem met veel moeite weer naar binnen wist te krijgen. Hun moeder, Cecilia, pakte het spartelende mannetje op en bond hem vast in een klubb*. Daarna hing zij de wieg op aan een ruwe boomstam, die dwars in de nok van de tent was vastgesjord. Sigri begon haar broertje zachtjes zingend in slaap te wiegen.


Middenin de tent brandde een vuur en eromheen lag een dikke stapel rendierhuiden. De uitgeputte kinderen vielen meteen in slaap. Maar al snel werden ze door Cecilia gewekt. Zij had sterke, zwarte koffie voor hen gezet. Magnus sliep echter gewoon door, zo moe was hij. De koffie deed Malena en Ante wonderlijk goed. Ze kregen ineens honger. De volkorenkoeken met rendiervlees smaakten erg lekker. De kinderen zeiden dat de melk van Goudsik bestemd was voor de Samenfamilie. Alsof de geit wilde laten zien dat zij het daar helemaal mee eens was, stapte ze keurig over de huiden heen en liet zich gewillig melken. Ondanks de drukte buiten sliep Magnus nog steeds als een blok. Luid joelend wierpen de Samen hun lasso’s over de geweien van de rendieren die gemolken moesten worden. De rendierkoeien zetten zich met vier poten schrap in de sneeuw, maar werden uiteindelijk toch uit de kudde getrokken en gemolken.


Sigri pakte Ante en Malena bij de hand en liep met hen tussen de rendierkoeien en de rendierkalveren door. De kinderen zagen hoe de Samen gewoon tussen de stieren liepen, die tegen elkaar bokten met de geweien in elkaar. De lasso’s vlogen in het rond. Overal klonk het Samisch, zacht en wild tegelijk. De vrouwen praatten tijdens het melken liefkozend en half zingend tegen de koeien, of hurkten neer en namen een jong kalfje op schoot. De mannen schreeuwden tegen de rendierossen die moesten worden gevangen en getemd om de sleden te trekken. Ergens anders werden weer kalveren gemerkt. Uit de tenten steeg zwarte, vettige rook op. Kleine jongens, die met elkaar, met de honden of met een kalf in de sneeuw hadden gestoeid, gingen een voor een naar binnen om te eten en daarna te slapen. Het geweienbos werd langzamerhand dunner. Het ene gewei na het andere zakte omlaag. Steeds meer rendieren gingen liggen en uiteindelijk lag de hele kudde te rusten.


Mattes kwam met zijn grote zoons en zijn knecht de tent binnen. Cecilia had eten en koffie voor hen klaargezet. Daarna kwamen ook de vrouwen en de rendiermeiden binnen. Ze hadden honger en waren moe, maar niet zo moe of ze konden nog wel grapjes maken. De mannen en de oudere vrouwen rookten kleine pijpjes en dronken zwarte, sterke koffie met zout. Ondertussen vertelden ze elkaar verhalen. Langzaam vielen de ogen van Ante en Malena dicht. Ze hadden hun natte schoenen, sjaals en truien uitgetrokken en rolden zich in een rendierhuid naast Sigri. Buiten sliep de kudde, honderden dieren groot. Het was doodstil. De sterrenhemel flonkerde en beloofde een nieuwe, mooie dag.


Meer dan een week bleven de kinderen bij de Samen. Ze hielpen met lassowerpen en melken. Ook leerden ze hoe ze de tenten, het huisraad en het voedsel op de kleine akja’s* moesten laden. De sleetjes stonden in een lange rij, klaar voor de tocht naar de noordelijke rendierweiden.


Op een dag maakte Ante een tochtje met een akja. Dat zou hem nog lang heugen, want het was een wonder dat hij heelhuids terugkwam.
Een mak rendier was voor de akja gespannen. Mattes zelf gaf Ante het leidsel en deed voor hoe hij moest mennen door het leidsel naar rechts of naar links over het gewei te gooien, afhankelijk van de richting waarin hij wilde gaan (het liefst daar waar de meeste sneeuw lag). Ook vertelde hij Ante wat je moest doen als een rendier koppig werd. Zodra Ante en Mattes dachten dat Ante genoeg wist, vloog Ante er vandoor. Hij sjeesde tussen de hoge dennenstammen door. ‘Ho-hei! Wat mooi zeg!’ Een arend, hoog boven de bossen, kon het niet mooier hebben dan hij! Pijlsnel gleed de akja door de sneeuw. Maar toen ze bij een plek kwamen waar gevelde boomstammen lagen, vond het rendier het welletjes. Het wilde naar huis. Maar Ante wilde verder: ‘Vooruit! Ho-hei!’ joelde hij, zoals hij de Samen had horen doen. Maar het klonk zeker niet echt genoeg, want het dier wilde niet gehoorzamen, ook al gooide Ante het leidsel van links naar rechts over het gewei. Plotseling werd het dier wild. Het draaide zich bliksemsnel om en Ante kon nog maar net op tijd onder de akja wegduiken. Het volgende ogenblik hoorde hij de scherpe hoeven van de voorpoten op de bodem van het omgekeerde sleetje trommelen. Het duurde vrij lang, maar ten slotte werd het dier moe. Het moest zijn hoeven en voorpoten immers sparen, want het zou vandaag nog werk genoeg hebben om onder de sneeuw te zoeken naar het begeerde rendiermos. Eventjes gluurde Ante vanonder de akja. Zo, was dat de bedoeling! Hij zag dat het rendier zich brutaalweg had omgedraaid en naar het kamp wilde draven. Nu moest hij snel zijn, want anders zou het dier er zonder hem vandoor gaan, alleen met de slee! Ante keerde de akja om en kon er nog net op tijd opduiken. Daar gingen ze al!


Toen Ante bij het kamp aankwam, deed hij alsof er niks gebeurd was. Maar toen Malena en Magnus ook een tochtje wilden maken met de akja, mocht dat niet van Ante. Hij zei dat het te gevaarlijk was voor kleine kinderen. ‘Pfff, alsof het een kunst is in een akja te zitten!’ riep Magnus, ‘wat een onzin!’ Magnus had het erg naar zijn zin in het tentenkamp. Het liefst was hij met de Samen meegegaan, terug naar het noorden. Ja, het was een moeilijk afscheid toen de kinderen en de Samen weer hun eigen weg gingen. De kinderen naar het zuidoosten, waar de grote dorpen en de rijke boerderijen waren. De Samen naar het noordwesten, naar het lange licht in de korte zomers, de toendra’s en de hoge bergen, die zilvergrijs waren van het rendiermos. Nog van heel ver konden de kinderen het afscheidsjoik* van Mattes horen.

klubb = van rendierhuid gemaakte wieg
akja = kleine slee
joik = Samisch lied


(Laura Fitinghoff, De kinderen van de grote fjeld. Er is ook een bewerking van het boek gemaakt, speciaal voor moeilijk lezende kinderen.)



Ga naar de vragen en opdrachten bij de tekst over de Samen.
Ga naar het HOME van de Surfspin.


Geplaatst op 1 december 2006.

© Surfspin 2006